line decor
 
line decor
 
 
 
 

 
 
ACHTERGROND

3. Vertaling oplossingen naar het beleid:

De internationale gemeenschap erkent in meer of mindere mate deze problematiek en heeft via het verdragenrecht actie ondernomen. De belangrijkste internationale regelgeving terzake is het Verdrag van Rio de Janeiro van 1992 en het daarop gebaseerde Kyoto-protocol van 1996. Deze regelgeving voorziet een inperking van het uitstootniveau van broeikasgassen tot onder het niveau van 1990 (de 'cap' genoemd) door gebruik te maken van een globale emissiehandel op basis van het marktprincipe (de 'trade'-fase). Dergelijk systeem wordt bijgevolg een 'cap and trade-systeem' genoemd en kan gezien worden als een vorm van groene fiscaliteit op macro-economisch niveau.

Niet alle leden van de Verenigde Naties hebben het Kyoto-protocol geratificeerd. Belangrijke achterblijvers zijn de Verenigde Staten (waarbinnen ondertussen bepaalde staten individueel het Protocol ratificeerden) en China. De Europese Unie heeft dit protocol wel geratificeerd en is volop bezig met de uitvoering ervan.

Om haar doelstellingen te bereiken heeft de EU diverse richtlijnen uitgevaardigd die door de lidstaten in nationale wetgeving omgezet dienen te worden. De EU heeft onder andere een eigen CO2-markt opgericht waaraan alle grote ondernemingen deelnemen en zal zeer binnenkort starten met een tweede 4-jaarlijkse handelsperiode (2008-2012). Daarnaast heeft men bijkomende richtlijnen opgesteld voor de kleinere verbruikers, waartoe ook de detailhandel en de gezinnen behoren. Naast de industrie levert ook de verwarming van residentiële gebouwen een belangrijke bijdrage aan de uitstoot van broeikasgassen. In tegenstelling tot de industrie zijn deze verwarmingsprocessen veelal zeer inefficiënt door verouderde of niet onderhouden stookinstallaties en door het gebrek aan een degelijke isolatie. De lidstaten hebben echter geen zicht op deze situatie worden door de EU verplicht om een databank op te richten met de energieprestaties van de woningen (richtlijn 2002/91/EG). Op basis hiervan kan men evalueren welke beleidsmaatregelen (subsidies,...) het nuttigst zouden zijn. Eén van deze richtlijnen betreft de energieprestatieregelgeving voor residentiële en niet-residentiële gebouwen. Deze richtlijn is met andere woorden voor alle lidstaten van toepassing en dient ten laatste tegen 1 januari 2009 door de lidstaten geïmplementeerd te worden.

België heeft ervoor gekozen om deze richtlijn regionaal te implementeren. De nodige wetgeving wordt dus door de gewesten geïmplementeerd. Dit betekent dat de procedure voor het bekomen van een energieprestatiecertificaat verschillend is in Vlaanderen, Wallonië en Brussel. Qua beleid op het Vlaamse niveau is de Vlaams Minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur - Hilde Crevits - bevoegd. De administratieve bevoegdheden inzake energie zijn verdeeld over het departement LNE (Leefmilieu, Natuur en Energie), het VEA (Vlaams EnergieAgentschap) en de VREG (Vlaamse Reguleringsinstantie voor de Elektriciteits- en Gasmarkt).

Verder lezen: "4: Overzicht regelgeving voor de (ver)bouwsector"

 

 

Contact
ENvisie
Eikenlaan 1
1820 Melsbroek
GSM: 0486/66.74.00
@: epc@envisie.be